ECLI:NL:RVS:2020:284
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schulddienstverlening wegens niet-naleving verplichtingen en nieuwe schulden
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bij besluit van 28 juni 2016 de schulddienstverlening aan appellante beëindigd en haar uitgesloten van nieuwe aanvragen voor drie jaar, omdat zij nieuwe schulden had laten ontstaan en haar inlichtingenplicht had geschonden. Dit volgde op vaststelling dat zij tijdens de periode van schulddienstverlening onterecht bijstand ontving en niet alle inkomsten had gemeld.
Appellante maakte bezwaar tegen de besluiten, die door het college en de rechtbank werden afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de rechtmatigheid van de herziening en terugvordering van de bijstand en de boete. Appellante stelde hoger beroep in tegen de beëindiging van de schulddienstverlening.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college bevoegd was de schulddienstverlening te beëindigen omdat appellante nieuwe schulden had laten ontstaan tijdens het traject en haar verplichtingen niet was nagekomen. Het college had een belangenafweging gemaakt en de gevolgen van beëindiging betrokken, waarbij het belang van schuldeisers een doorslaggevende rol speelde.
De Afdeling verwierp het betoog van appellante dat het college zich niet aan afspraken had gehouden of dat sprake was van disproportionele onredelijkheid. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot beëindiging van de schulddienstverlening en verklaart het hoger beroep ongegrond.