ECLI:NL:RVS:2020:2904
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking jachtakte wegens geringe twijfel aan verantwoord wapenbezit na bedreigingsincidenten
Appellant beschikte over een jachtakte geldig van 1 april 2018 tot 31 maart 2019. Na twee incidenten, op 27 oktober 2017 en 3 mei 2018, waarbij appellant betrokken was en waarbij processen-verbaal werden opgemaakt wegens bedreiging van een politieagent, een buitengewoon opsporingsambtenaar en een vogelaar, trok de korpschef de jachtakte in. De minister handhaafde dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het beschikken over een jachtakte voldoende is voor intrekking, mits deze twijfel objectief toetsbaar is. De processen-verbaal, opgesteld op ambtseed en ambtsbelofte, gaven aan dat appellant zich bedreigend gedroeg. Hoewel appellant een psychologische rapportage overlegde waaruit bleek dat hij geen psychische problemen heeft, hoeft de minister hieraan geen doorslaggevende betekenis te hechten. De minister mocht op basis van het gedrag bij de incidenten redelijke twijfel hebben over het verantwoord wapenbezit.
De Raad van State oordeelde dat het intrekken van de jachtakte geen strafrechtelijke sanctie is maar een maatregel ter bescherming van de samenleving. De minister heeft het juiste toetsingskader toegepast en mocht niet volstaan met een waarschuwing. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de jachtakte wordt bevestigd wegens geringe twijfel aan verantwoord wapenbezit na bedreigingsincidenten.