3.2.Volgens onderdeel B, paragraaf 8 van de Cwm 2019 dient de persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie – als de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden – er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.
4. De minister heeft onder verwijzing naar artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bkl en de Cwm 2019 de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en de Europees vuurwapenpas ingetrokken. Hierbij heeft de minister in aanmerking genomen dat tijdens een kluiscontrole op 9 april 2024 is waargenomen dat bij het enkelloops kogelgeweer van het merk Brno geen magazijn aanwezig was, maar dat de grendel van het geweer open stond en er een scherpe patroon in zat. Volgens de minister volgt uit dit mutatierapport dat het wapen geladen was met een scherpe patroon en dat [eiser] de wapens niet conform onderdeel B, paragraaf 2.4.8 van de Cwm 2019 in afzonderlijke deugdelijk afgesloten en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen had opgeborgen. Doordat er in het wapen een scherpe patroon zat, heeft [eiser] het risico vergroot dat zijn wapen in de handen van onbevoegden zou geraken. Als gevolg van de door [eiser] gepleegde overtreding van de opbergvoorschriften heeft de minister niet langer het vertrouwen dat hij de wettelijke voorschriften ten aanzien van zijn wapen stipt zal naleven. Gezien onderdeel B, paragraaf 1.2 van de Cwm 2019 is deze overtreding van de opbergvoorschriften voldoende om tot intrekking van de jachtakte (
de rechtbank leest hier: omgevingsvergunning)over te gaan.
5. Zoals de minister ter zitting ook heeft bevestigd, is aan [eiser] tegengeworpen dat er aanwijzingen zijn dat hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd, zoals beschreven in het tweede deel van artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bkl.
6. De bevindingen, zoals opgenomen in het mutatierapport, zijn niet in geschil. Wel is in geschil welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden.
7. De rechtbank stelt voorop dat de houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit een bijzondere positie heeft. Een houder van deze omgevingsvergunning mag namelijk over een vuurwapen en munitie beschikken, terwijl daar in Nederland een verbod op geldt. Het Bkl schrijft voor dat deze omgevingsvergunning in ieder geval wordt ingetrokken als het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan iemand kan worden toevertrouwd.
8. Het begrip 'niet langer kan worden toevertrouwd' is nader uitgelegd in de Cwm 2019 en de rechtspraak. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), is geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtaktein te trekken. Deze twijfel moet objectief toetsbaar zijn.
9. Aangezien bij [eiser] tijdens de wapencontrole een kogel in een wapen is aangetroffen, was geen sprake van het volledig afzonderlijk opbergen van wapens en munitie als beschreven in onderdeel B, paragraaf 2.4.8, van de Cwm 2019. Dit vormt een potentieel ernstig gevaar voor de veiligheid van de samenleving. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken bevestigd dat het niet veilig opbergen van een vuurwapen een potentieel ernstig gevaar voor de veiligheid van de samenleving vormt.In lijn met deze uitspraken van de Afdeling, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan [eiser] kan worden toevertrouwd wegens het schenden van de opbergvoorschriften en dat om die reden de omgevingsvergunning mocht worden ingetrokken. Dat de minister niet heeft onderbouwd welke gevaren zijn ontstaan en dat het wapen niet in de handen van een onbevoegde is beland of het wapen zich niet op een openbare plaats heeft bevonden zoals beschreven in de jurisprudentie, is hierbij niet relevant. Het gaat erom dat een potentieel ernstig gevaar is ontstaan. Met het opbergen van een wapen, waarin zich een kogel bevindt, is daarvan sprake.
10. Dat de minister met een schriftelijke waarschuwing had moeten volstaan – zoals door [eiser] is gesteld –, volgt de rechtbank niet. Volgens onderdeel B, paragraaf 9.1 van de Cwm 2019 dient bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven. Zoals hiervoor echter is overwogen, vormt het niet gescheiden opbergen van een wapen en munitie een potentieel ernstig gevaar voor de veiligheid van de samenleving. Hierbij is geen sprake van een lichte onregelmatigheid waarvoor met een schriftelijke waarschuwing had moeten worden volstaan.
11. [eiser] heeft betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank begrijpt dat de persoonlijke gevolgen van de intrekking van de omgevingsvergunning voor de jachtgeweeractiviteit voor [eiser] groot zijn. Uit onderdeel B, paragraaf 1.2 van de Cwm 2019 volgt dat het weigeren en intrekken van een jachtakte uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie is maar een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Nu de minister, zoals volgt uit rechtsoverweging 9, tot de conclusie mocht komen dat het gedrag van [eiser] niet getuigt van verantwoord gedrag zoals van een vergunninghouder wordt verlangd, heeft hij op goede gronden aan het maatschappelijke belang van de veiligheid van de samenleving een groter gewicht mogen toekennen dan aan het belang van [eiser]. Daarnaast is van belang dat de intrekking van de omgevingsvergunning niet betekent dat [eiser] nooit meer een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit krijgt. Zoals ook op de zitting aan de orde is geweest, staat het [eiser] vrij een nieuwe aanvraag in te dienen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
12. Voor zover [eiser] heeft gewezen op door de korpschef gemaakte procedurele fouten, die naar zijn mening gevolgen moeten hebben omdat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, oordeelt de rechtbank dat deze beroepsgrond niet slaagt. Voor zover al sprake is van procedurele fouten door de korpschef, zijn deze door de minister rechtgezet in het bestreden besluit en dat is het besluit wat bij de rechtbank ter toetsing voorligt.