ECLI:NL:RVS:2020:2960
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 10 oktober 2018 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 29 januari 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing op 21 februari 2020 ongegrond.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was, omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van 29 januari 2019.
Desondanks liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand om definitieve geschilbeslechting te waarborgen, aangezien de inhoudelijke bezwaren van de vreemdeling onvoldoende waren om het besluit inhoudelijk onjuist te verklaren. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.