Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1988, eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij afzonderlijke besluiten van 6 augustus 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Standpunten partijen
'zero‑integration situatie'. Naar de mening van eisers voldoet Bulgarije niet aan artikel 34 van Pro de Kwalificatierichtlijn en geven de Bulgaarse autoriteiten hiermee het signaal af dat zij volstrekt onverschillig staan tegenover statushouders die van hen afhankelijk zijn. Hierdoor kunnen statushouders niet integreren en daarmee wordt de toegang tot de uitoefening van de rechten als statushouder in Bulgarije volstrekt onmogelijk gemaakt. Ten onrechte wordt dan ook door verweerder aan eisers tegengeworpen dat zij onvoldoende hebben ondernomen met betrekking tot de uitoefening van hun rechten als statushouder. Immers, statushouders hebben thans en hadden in 2017 geen daadwerkelijke toegang tot elementaire levensbehoeftes als huisvesting, en zij kunnen in Bulgarije ook niet hun recht hierop effectueren. In de praktijk hebben eisers verder naast de taalbarrière tevens te doen met de uitermate vijandige houding van de Bulgaarse politie jegens migranten (statushouders inbegrepen) en de discriminatoire houding van de Bulgaren jegens migranten (statushouders inbegrepen).
Beoordeling door de rechtbank
- het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
- er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000, en
- het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en
- het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
- de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.
official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity”, alsnog sprake is van schending van artikel 3 EVRM Pro.
Verder heeft de staatssecretaris betoogd dat (…) het in de praktijk moeilijk is voor statushouders om hier daadwerkelijk toegang tot de krijgen. De Bulgaarse overheid heeft zich echter met de hulp van de Europese Commissie en diverse hulporganisaties ingespannen om de feitelijke positie van statushouders te verbeteren.(…)
. Uit de schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris van 15 januari 2018, de stukken waarop partijen een beroep hebben gedaan en het persoonlijk relaas van de vreemdeling komt het beeld naar voren dat de feitelijke situatie in Bulgarije voor statushouders moeilijk is, vooral nadat zij de opvang hebben moeten verlaten. Zoals de staatssecretaris in zijn schriftelijke uiteenzetting van 15 januari 2018 heeft vermeld, is het voor statushouders moeilijk om betaald werk te vinden en bestaan wat betreft de toegang tot onderwijs en de gezondheidszorg barrières. Zoals uit vorenbedoelde stukken blijkt, en de staatssecretaris ter zitting heeft bevestigd, is voor toegang tot door de gemeenten verstrekte sociale huisvesting de Bulgaarse nationaliteit vereist, zodat statushouders hier feitelijk van zijn uitgesloten en na het verlaten van de opvang zijn aangewezen op hulporganisaties of de particuliere sector voor huisvesting. (…) Voor zover de vreemdeling zich beroept op de bepalingen in Hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn, is het in de eerste plaats aan de vreemdeling om zijn daaruit voortvloeiende rechten in Bulgarije te effectueren. Uit het persoonlijk relaas van de vreemdeling en de op de zaak betrekking hebbende stukken is niet gebleken dat hij daartoe voldoende inspanningen heeft verricht.”
Housing out of reach?’ van 2019 over de huisvesting van asielzoekers en statushouders in Bulgarije, p.32-33).
officially indifferent” is ten aanzien van de feitelijke positie van statushouders voor zover zij afhankelijk zijn van overheidssteun bij een primaire levensbehoefte zoals toegang tot huisvesting en voor het gebruik kunnen maken van integratievoorzieningen.
officially indifferent” valt te kwalificeren. Toegang tot integratieprogramma’s is naar het oordeel van de rechtbank nauw verweven met het zelf kunnen effectueren van rechten op basisvoorzieningen. Gelet hierop dient de afwezigheid van integratieprogramma’s gedurende meerdere opvolgende jaren en de onwelwillende houding van Bulgaarse autoriteiten die hieruit dus is op te maken bij de beoordeling te worden betrokken of in dit verband nog langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Bulgarije.
ná de uitspraken van de Afdeling,waarnaar verweerder verwijst. Evenmin heeft verweerder gesteld dat uit de door eisers overgelegde informatie geen wezenlijk ander beeld volgt dan uit de informatie die de Afdeling heeft betrokken om tot de uitspraak van 30 mei 2018 te komen en heeft ook de overgelegde informatie niet betwist. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder in de bestreden besluiten de overlegde informatie feitelijk buiten beschouwing heeft gelaten en heeft volstaan met het standpunt dat – zakelijk weergegeven – de Afdeling nimmer heeft geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Omdat verweerder niet is ingegaan op deze informatie en argumenten van eisers uit de zienswijze is reeds sprake van een motiveringsgebrek dat tot vernietiging van de bestreden besluiten moet leiden.
“Niet in geschil is dat de juridische positie van statushouders in Hongarije gelijk is aan die van Hongaarse staatsburgers. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat een zeer wezenlijk verschil bestaat tussen de juridische en de feitelijke situatie. Uit de door partijen aangehaalde rapporten volgt, zoals de staatssecretaris ter zitting heeft erkend, dat met name de feitelijke positie van statushouders in Hongarije moeilijk is. De opvang voor statushouders is beperkt tot dertig dagen. Uit de aangehaalde rapporten kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden afgeleid dat statushouders die uit opvangcentra komen in de praktijk extreme moeilijkheden ondervinden om toegang tot huisvesting te krijgen. De vreemdeling is hierbij volledig op zichzelf aangewezen. De rechtbank heeft daarnaast terecht bij haar oordeel betrokken dat er voor statushouders problemen zijn om toegang te krijgen tot sociale voorzieningen. Administratieve belemmeringen beperken de toegang hiertoe. Uit de rapporten volgt verder dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ook de toegang tot onderwijs voor de kinderen van statushouders, gelet op de groeiende xenofobie, moeizaam is en dat statushouders extreme moeilijkheden ondervinden bij het verkrijgen van toegang tot de gezondheidszorg in Hongarije. Tot slot heeft de rechtbank terecht overwogen dat de autoriteiten niet welwillend zijn gebleken statushouders te helpen. Er is, anders dan de staatssecretaris betoogt, niet alleen sprake van harde retoriek. Uit de rapporten volgt dat de Hongaarse autoriteiten statushouders actief tegenwerken. Verder kan betwijfeld worden of maatschappelijke organisaties door onder meer de "Stop Soros-wetten" in staat zijn statushouders daadwerkelijk te steunen. De staatssecretaris heeft deze twijfel niet weggenomen door zich, onder verwijzing naar het Country Report: Hungary, 2018 Update, van Asylum Information Database, op het standpunt te stellen dat er maatschappelijke organisaties zijn. Hieruit volgt dat een statushouder in Hongarije zich in de praktijk alleen met grote moeite zal kunnen staande houden en zijn rechten zal kunnen effectueren.”
kenmerken van de internationale bescherming”, maar beschrijft niet alleen de inhoud van de rechten maar vooral de verplichtingen die deze rechten voor de statusverlenende lidstaten met zich brengt. Verweerder kan zich, daargelaten dat hij in het geheel niet heeft onderbouwd welke NGO’s actief zijn in Bulgarije en dit ook niet volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 en 28 augustus 2019, gelet hierop niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat Bulgarije aan zijn internationale verplichtingen voldoet door enkel aan te geven dat eisers zich tot NGO’s kunnen en moeten wenden. Allereerst is niet gebleken, noch gesteld of onderbouwd dat NGO’s door de Bulgaarse autoriteiten zijn gevraagd om statushouders te voorzien van onderdak of andere basale voorzieningen en daartoe ook in de gelegenheid worden gesteld. Dus, voor zover er daadwerkelijk NGO’s zouden zijn in Bulgarije die statushouders kunnen helpen bij het verkrijgen van een identiteitsdocument en woonruimte is dat in ieder geval geen verdienste van de Bulgaarse autoriteiten. De rechtbank ziet hierin veeleer een zeer sterke aanwijzing dat de Bulgaarse autoriteiten in grote mate tekortschieten in het voldoen aan hun verplichtingen en dat daarom inspanningen van NGO’s noodzakelijk zijn om te voorkomen dat statushouders niet zelf kunnen voorzien in hun basisvoorzieningen en dus hun rechten niet kunnen effectueren. Het bevreemdt dan ook dat verweerder in reactie op de beroepsgronden zijn standpunt dat hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan mede onderbouwt met het verwijzen naar de mogelijkheden voor eisers om zich tot NGO’s te wenden om in ieder geval woonruimte te kunnen verkrijgen. De mogelijkheid om zich te wenden tot NGO’s voor onderdak, voor zover die mogelijkheid zou bestaan, duidt er immers niet op dat de Bulgaarse autoriteiten zich in dit geval hebben ingespannen om aan hun internationale verplichtingen jegens statushouders te voldoen door hen te voorzien van (toegang tot) woonruimte (huisvesting).
officially indifferent”, zoals bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM en het arrest Ibrahim, ten aanzien van de positie van statushouders moet worden gekwalificeerd. Ook blijkt uit de algemene informatie dat het moeten effectueren van rechten die een statushouder heeft voor iedere vreemdeling nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. Zoals de Afdeling in bovengenoemde zaak ten aanzien van bijzonder kwetsbare statushouders in Hongarije heeft overwogen, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verweerder nader zal moeten motiveren of eisers, voor wie heeft te gelden dat zij niet zijn aan te merken als bijzonder kwetsbaar, in weerwil van de algemene informatie die aanzienlijk actueler is dan de informatie die is betrokken in jurisprudentie van de Afdeling, dat de vreemdeling door haar bijzondere kwetsbaarheid, bij terugkeer naar Bulgarije geen reëel risico zullen lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en
beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.
Conclusie
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op zich nader te vergwissen zoals overwogen in rechtsoverweging 35 en vervolgens nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.