ECLI:NL:RVS:2020:389
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 juli 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af vanwege onvoldoende aannemelijkheid van haar identiteit. De vreemdeling stelde dat zij in Eritrea islamitisch getrouwd was met een referent met een verblijfsvergunning. Ter onderbouwing overhandigde zij kopieën van een Soedanese vluchtelingenpas, identiteitskaarten van haar vermeende ouders en een huwelijksakte van een shariarechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom deze documenten niet als substantieel indicatief bewijs werden beschouwd en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de identiteit aannemelijk was gemaakt, onder meer omdat de huwelijksakte geen pasfoto bevatte en de familierelatie niet aannemelijk was gemaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris terecht het bewijs onvoldoende achtte en dat hij zijn hoorplicht niet had geschonden. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.