ECLI:NL:RVS:2019:649
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierelatie
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af omdat zij haar identiteit niet aannemelijk had gemaakt met officiële of voldoende onofficiële documenten. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens ondeugdelijke motivering en onzorgvuldige voorbereiding, met name omdat de staatssecretaris onvoldoende was ingegaan op de gestelde familierelatie.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht de vereisten hanteert dat de vreemdeling substantieel bewijs moet leveren van zowel haar identiteit als de familierelatie, en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij in bewijsnood verkeerde. De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de identiteit een voorwaarde is voor de beoordeling van de familierelatie.
De Raad weegt ook de verklaringen van de vreemdeling over het ontbreken van een identiteitskaart af tegen de ambtsberichten over de Eritrese situatie en concludeert dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen identiteitskaart kan overleggen. De door haar overgelegde onofficiële documenten leveren geen substantieel bewijs op. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.