ECLI:NL:RVS:2020:496
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger uitkeringsbedrag uit schadefonds geweldsmisdrijven
Appellante vroeg een hogere uitkering toegekend door de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). De CSG kende haar een bedrag van €2.500 toe, gebaseerd op letselcategorie 2, vanwege haar status als slachtoffer en getuige van stelselmatig huiselijk geweld gedurende circa 3,5 jaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
Appellante stelde dat zij recht had op een hogere uitkering volgens letselcategorie 3, omdat zij ook bloedsporen had waargenomen van een poging tot doodslag op haar moeder, waardoor sprake zou zijn van samenloop van letsels. De Afdeling oordeelde dat het beleid van de CSG, waarbij bij samenloop van psychische letsels binnen dezelfde letselcategorie geen verhoging wordt toegepast, niet onredelijk is. Bovendien kon appellante niet aannemelijk maken dat zij daadwerkelijk psychisch letsel had opgelopen door directe confrontatie met het misdrijf.
De Afdeling concludeerde dat de CSG zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat een hogere uitkering niet passend was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.