ECLI:NL:RVS:2020:737
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet meewerken aan identificatieplicht volgens Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluit van 6 februari 2018 legde de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellant een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Deze boete volgde op een controle op 22 november 2017, waarbij een man werd gezien die arbeid verrichtte, maar zich aan legitimatie onttrok. Appellant werd verzocht medewerking te verlenen bij het vaststellen van de identiteit van deze man, maar leverde een identiteitskaart van een andere persoon.
Appellant voerde aan dat er twijfel bestond over de juistheid van het boeterapport en dat zij niet als werkgever van de man kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan de bewijslast droeg en dat het vermoeden dat de man en de overgelegde identiteitskaart niet overeenkwamen, tijdens het verhoor werd bevestigd.
Verder werd overwogen dat de arbeidsinspecteurs bevoegd waren de controle uit te voeren en dat het ruime werkgeversbegrip van de Wav van toepassing is, waarbij feitelijk verrichte arbeid voldoende is om als werkgever te worden aangemerkt. Het betoog dat de overtreding appellant niet te verwijten valt, werd niet onderbouwd en faalde. De boete werd daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 wegens niet voldoen aan de identificatieplicht en verklaart het hoger beroep ongegrond.