ECLI:NL:RVS:2020:798
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving houtopslag op perceel te Papendrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht legde aan appellant een last onder dwangsom op om het gebruik van een perceel als houtopslag te beëindigen, omdat dit volgens het college in strijd was met artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012. Appellant stelde dat het perceel niet in een niet-zindelijke staat verkeerde en dat de houtopslag geen gevaar of hinder opleverde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college niet bevoegd was om op grond van artikel 7.21 handhavend op te treden, omdat de houtopslag niet tot een niet-zindelijke staat leidde.
Het college baseerde de handhaving daarnaast op overtreding van de Beheersverordening Woongebied en de Wabo, wat appellant niet betwistte. De Afdeling bevestigde dat het college op die grond wel bevoegd was tot handhaving. Appellant voerde verder aan dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handhaafde en dat de handhaving disproportioneel was, maar deze bezwaren werden verworpen omdat het college ook tegen andere overtredingen handhavend optrad en appellant voldoende gelegenheid had gekregen om de overtreding te beëindigen.
Ten slotte stelde appellant dat de invordering van de dwangsommen was verjaard, maar de Afdeling oordeelde dat de invorderingsbevoegdheid niet was verjaard en dat het college op rechtmatige wijze uitstel van betaling had verleend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.