Uitspraak
Datum uitspraak: 1 april 2020
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven om een digitale bezoekerspas toe te kennen aan een bewoner van het wooncomplex De Ridder, dat beschikt over parkeergelegenheid op eigen terrein.
De beleidsadviseur parkeren had aanvankelijk de aanvraag van de bezoekerspas afgewezen omdat in de Lichtstraat geen vergunningen worden uitgegeven. De rechtbank oordeelde echter dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom bewoners van De Ridder geen bezoekerspas krijgen, terwijl bewoners van de Ventoseflat, gelegen op circa 300 meter afstand zonder parkeergelegenheid op eigen terrein, deze wel krijgen.
Het college stelde dat het parkeerbeleid gericht is op het stimuleren van ander vervoer dan de auto en dat bij nieuwbouw zoals De Ridder parkeergelegenheid op eigen terrein is gerealiseerd, inclusief een parkeernorm die ook bezoekersaandeel omvat. De Ventoseflat heeft geen eigen parkeergelegenheid, waardoor bewoners en bezoekers aangewezen zijn op straatparkeren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college terecht onderscheid maakt tussen de situaties van De Ridder en de Ventoseflat. De aanwezigheid van parkeergelegenheid op eigen terrein bij De Ridder maakt dat bewoners daar geen bezoekerspas nodig hebben. Het feit dat bezoek niet in de parkeergarage kan parkeren is een gevolg van keuzes en maakt de situaties niet gelijk. De rechtbank had dit onvoldoende onderkend.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de bewoner ongegrond verklaard. Ook het besluit tot verlening van de bezoekerspas wordt vernietigd, waardoor de bewoner geen recht meer heeft op een bezoekerspas.
Uitkomst: Het beroep van de bewoner wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verlening van een bezoekerspas wordt vernietigd.