ECLI:NL:RVS:2021:1223
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Vernietiging invordering dwangsom baggerwerkzaamheden wegens schending vertrouwensbeginsel
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland legde aan de maatschap een last onder dwangsom op om baggerwerkzaamheden aan de Oostbroekwetering op haar perceel te gedogen. De maatschap exploiteert een melkveehouderij aan de watergang en was gehouden de werkzaamheden te dulden volgens artikel 5.23 van de Waterwet. Er ontstond onenigheid over de te gebruiken baggermethode: de maatschap wilde de baggerspuitmethode gebruiken, terwijl het college de klassieke methode met een kraan wilde toepassen.
Het college legde een dwangsom op wegens weigering medewerking bij de klassieke methode, waarna de rechtbank het college in het gelijk stelde. De maatschap ging in hoger beroep en stelde dat het college zich niet aan een mondelinge toezegging hield dat alleen de baggerspuitmethode zou worden toegepast. De Raad van State oordeelde dat de toezegging aan het college toegerekend kon worden en dat de maatschap gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het gebruik van de baggerspuitmethode.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het vertrouwen was teruggenomen, mede door het ontbreken van een gespreksverslag. Het algemeen belang bij de klassieke methode woog niet zwaarder dan het belang van de maatschap bij het vertrouwen. Daarom was sprake van bijzondere omstandigheden die invordering van de dwangsom onterecht maakten. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het invorderingsbesluit herroepen en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het invorderingsbesluit tot betaling van de dwangsom wordt herroepen wegens schending van het vertrouwensbeginsel.