ECLI:NL:RVS:2021:1264
Raad van State
- Hoger beroep
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit en weigering omgevingsvergunning voor illegale tuin en bebouwing in Amsterdam
Appellanten wonen in een hoekwoning in Amsterdam en hebben naast hun woning een deel van de openbare ruimte in strijd met het bestemmingsplan als privétuin in gebruik genomen, inclusief een schutting en schuur. Het college van burgemeester en wethouders heeft hen bij besluit van 3 oktober 2017 verplicht deze illegale bebouwing te verwijderen en het gebruik als tuin te staken, onder oplegging van een dwangsom.
Appellanten hebben een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor legalisatie, maar het college heeft deze geweigerd. De rechtbank heeft het college in het gelijk gesteld en het beroep van appellanten ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogden appellanten onder meer dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handhavend optrad, dat zij gerechtvaardigd vertrouwen hadden op vergunningverlening, en dat de begunstigingstermijn onredelijk was.
De Raad van State oordeelt dat het college bevoegd was tot handhaving en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om hiervan af te zien. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen zijn gedaan die het gebruik als tuin en bebouwing rechtvaardigen. Ook het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.