ECLI:NL:RVS:2019:333
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- F.D. van Heijningen
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsom ondanks financiële omstandigheden appellant
Het college van burgemeester en wethouders van Someren heeft bij besluiten van 28 juli 2016 een dwangsom van in totaal €345.000,- opgelegd aan appellant wegens het niet voldoen aan een last onder dwangsom uit 21 april 2015, die betrekking had op het afvoeren van dierlijke mest. Appellant stelde dat bijzondere omstandigheden en zijn financiële situatie tot (gedeeltelijke) kwijtschelding van de invordering moesten leiden.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de invordering. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. Hij voerde aan dat de financiële gevolgen voor hem als natuurlijk persoon onevenredig zijn en dat de dwangsom onredelijk is vanwege de gedwongen staking van de varkenshouderij, faillissementen van betrokken bedrijven en emotionele impact.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht een zwaarwegend belang toekent aan de invordering van de dwangsom en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is de dwangsom te voldoen. De aangevoerde financiële documenten en omstandigheden, zoals het gebruik van luxe voertuigen en een vrijstaande woning, onderbouwen dit oordeel. Ook is de Wet Bibob niet toegepast in deze procedure, waardoor dat betoog faalt.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; invordering van de verbeurde dwangsom van €345.000,- wordt bevestigd.