ECLI:NL:RVS:2021:1444
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over bewaring vreemdeling wegens schending hoor en wederhoor
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 10 mei 2021 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank de vreemdeling niet in de gelegenheid had gesteld te reageren op na de zitting toegezonden stukken van de staatssecretaris, waardoor het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor was geschonden. Dit leidde tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Bij de inhoudelijke beoordeling stelde de Afdeling vast dat de bewaring terecht was opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de Dublinverordening van toepassing was en er een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestond. De bewering van de vreemdeling dat hij niet met onbekende bestemming was vertrokken, werd verworpen.
Verder werd geoordeeld dat het feit dat de vreemdeling niet samen met zijn vrouw en kinderen was gedetineerd niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel. Het beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.