ECLI:NL:RVS:2020:556
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens Dublinoverdracht
De vreemdeling werd op 15 oktober 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op overdracht aan Italië volgens de Dublinverordening. De rechtbank had geoordeeld dat de overdrachtstermijn op 9 augustus 2018 was verstreken en dat er geen concreet aanknopingspunt bestond voor overdracht, waardoor de bewaring onrechtmatig was en schadevergoeding werd toegekend.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de overdrachtstermijn was opgeschort door een voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter van 4 juli 2018, die de uitvoering van de overdracht opschortte in afwachting van bezwaar. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de termijn was verstreken, omdat de opschorting van de overdrachtstermijn door de voorlopige voorziening en bezwaarprocedure in de Dublinverordening is geregeld.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. De klacht van de vreemdeling dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld werd afgewezen, evenals het verzoek om schadevergoeding. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, terwijl het beroep van de vreemdeling ongegrond wordt verklaard.