ECLI:NL:RVS:2021:147
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld
Appellant diende op 9 augustus 2018 een aanvraag in bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering wegens stelselmatig huiselijk geweld, waarbij hij fysiek en psychisch letsel had opgelopen. De CSG wees de aanvraag op 28 augustus 2018 af, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij slachtoffer was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zoals bedoeld in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep op 11 december 2019 ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Tijdens de procedure stelde appellant dat een verklaring van een medewerker van Stichting Arosa, waar hij een half jaar was opgevangen vanwege huiselijk geweld, voldoende objectieve aanwijzingen bood.
De Raad van State overwoog dat het aan appellant was om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer was van het geweldsmisdrijf. Omdat appellant geen aangifte had gedaan en geen andere onafhankelijke objectieve bewijsstukken had overgelegd, en de verklaring van Arosa grotendeels gebaseerd was op zijn eigen verhaal, waren de aanwijzingen onvoldoende. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering wordt bevestigd.