ECLI:NL:RVS:2022:1490
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende aannemelijkheid geweldsmisdrijf
Appellant diende een aanvraag in bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven nadat hij op 14 augustus 2019 naar eigen zeggen slachtoffer werd van een geweldsincident waarbij hij ernstig letsel opliep. De commissie wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en gebrek aan objectieve informatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het geweldsmisdrijf had plaatsgevonden zoals hij stelde.
In hoger beroep voerde appellant formele bezwaren aan over de procesgang en betwistte hij de beoordeling van de bewijsvoering. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de rechtbank het recht op zitting correct had behandeld en dat de telefoonnotitie terecht was betrokken bij de beoordeling. Tevens werd bevestigd dat de commissie terecht aanvullende objectieve informatie mocht vragen om de aannemelijkheid vast te stellen.
De Afdeling concludeerde dat appellant niet slaagde in zijn bewijslevering, mede doordat het filmpje dat dateert van vóór het incident toont dat een tand al ontbrak, en de medische stukken geen duidelijkheid geven over het ontstaan van het letsel. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en de commissie dat de aanvraag terecht is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf.
Uitkomst: De aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf.