ECLI:NL:RVS:2021:1701
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van een Syrische vreemdeling niet in behandeling, omdat volgens hem Roemenië verantwoordelijk was op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar de omstandigheden waaronder de vreemdeling in Roemenië was behandeld en de risico's bij terugkeer.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar Roemenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. De vreemdeling had dit niet voldoende onderbouwd, onder meer met het AIDA-rapport over Roemenië.
Verder stelde de Raad van State vast dat de staatssecretaris terecht de aanvraag niet aan zich hoefde te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden waren die daartoe aanleiding gaven. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.