ECLI:NL:RVS:2021:1731
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- F.D. van Heijningen
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Misbruik van recht bij informatieverzoeken over monitoring sociale media door inlichtingen- en veiligheidsdiensten
Verzoeker diende tien informatieverzoeken in bij de minister van Defensie op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, gericht op documenten over monitoring van sociale media door tien bedrijven. De minister weigerde deze verzoeken te behandelen wegens vermoedelijk misbruik van recht, omdat verzoeker de bevoegdheid gebruikte om een schaduwarchief aan te leggen dat via internet raadpleegbaar is, wat volgens de minister niet het doel van de wet is.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat niet elk verzoek misbruik van recht is en dat per verzoek moet worden beoordeeld of het redelijk is. De rechtbank vernietigde het besluit van de minister en beval een nieuw besluit. De minister ging in hoger beroep en stelde dat eerdere uitspraken bevestigen dat verzoeker misbruik maakt van zijn bevoegdheid, gezien de omvang en het doel van de verzoeken.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat het indienen van informatieverzoeken met het doel een schaduwarchief aan te leggen misbruik van recht is en dat de minister terecht de verzoeken niet in behandeling heeft genomen. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De Afdeling oordeelt dat de beperking van het recht op toegang tot overheidsinformatie proportioneel is en noodzakelijk in het belang van een ordentelijk bestuur.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker tegen het besluit van de minister wordt ongegrond verklaard wegens misbruik van recht bij het indienen van informatieverzoeken.