ECLI:NL:RVS:2021:1741
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitschrijving uit Basisregistratie Personen wegens vertrek naar onbekend
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 10 juli 2019 besloten om met ingang van 26 april 2019 in de Basisregistratie Personen (brp) op te nemen dat appellant is vertrokken naar onbekend. Dit volgde op een adresonderzoek waarbij werd vastgesteld dat appellant niet woonde op het adres waar hij sinds 1996 stond ingeschreven, mede omdat het pand als verblijfruimte niet geregistreerd staat, appellant niet werd aangetroffen en hij niet meewerkte aan een huisbezoek.
Appellant voerde aan dat hij wel degelijk op dat adres woont, dat het pand zijn eigendom is en dat een huisbezoek een onaanvaardbare inbreuk op zijn privacy zou vormen. Hij verwees ook naar zijn reacties op brieven van het college en het feit dat hij overdag afwezig was wegens werk.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college zorgvuldig heeft gehandeld door een gedegen adresonderzoek uit te voeren, waarbij ook verklaringen van buren en wijkagenten werden betrokken. Het huisbezoek was een redelijke maatregel om de verblijfplaats vast te stellen. Omdat appellant geen toestemming gaf voor het huisbezoek en het college geen andere wijze had om zijn verblijfplaats vast te stellen, was het besluit tot uitschrijving naar onbekend terecht.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is ongegrond verklaard en de uitschrijving uit de Basisregistratie Personen bevestigd.