ECLI:NL:RVS:2021:188

Raad van State

Datum uitspraak
29 januari 2021
Publicatiedatum
29 januari 2021
Zaaknummer
202003155/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6 EVRMArtikel 64 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens niet aannemelijk gemaakte psychische schade bij vreemdeling

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die aanvankelijk onterecht werd afgewezen en pas na bijna drie jaar werd ingewilligd. Hij stelde dat hij hierdoor psychische schade had geleden en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de vreemdeling niet duidelijk had gemaakt welke schade hij had geleden en onvoldoende concrete gegevens had aangevoerd om het bestaan van geestelijk letsel aan te tonen.

In hoger beroep stelde de vreemdeling dat bij langdurige onzekerheid spanning en frustratie als grond voor immateriële schadevergoeding worden verondersteld, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Afdeling. De Afdeling overwoog echter dat deze veronderstelling alleen geldt bij overschrijding van de redelijke termijn voor de procedurebeslechting, hetgeen hier niet het geval was.

De Afdeling concludeerde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij psychische schade had geleden en verwierp het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wordt bevestigd.

Uitspraak

202003155/1/V1.
Datum uitspraak: 29 januari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 april 2020 in zaak nr. 18/9706 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij besluit van 20 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 april 2020 heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft aan het verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd dat hij heeft geleden doordat de staatssecretaris zijn aanvraag van 4 november 2015 om verlening van uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 aanvankelijk ten onrechte had afgewezen en pas heeft ingewilligd op 19 juli 2018.
2.    De vreemdeling klaagt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden omdat hij niet duidelijk heeft gemaakt wat zijn schade is en waaruit zijn lijden heeft bestaan.
2.1.    De vreemdeling voert, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 3 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5910, onder 2.9.1, en van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8475, onder 2.4.1, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij langdurig in onzekerheid verkeren, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Daarnaast wijst hij erop dat de spanning en frustratie bij hem nog steeds voortduurt.
3.    In de onder 2.1 vermelde uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat bij overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor de beslechting van een procedure, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. In deze zaak is echter niet in geschil dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Voor zover de vreemdeling zich beroept op het hebben van psychische schade, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij die schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De vreemdeling had namelijk voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Hiervoor is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4163, onder 39. De vreemdeling heeft hieraan ook in hoger beroep niet voldaan door te stellen dat hij heeft geleden zonder dit te onderbouwen.
De grief faalt.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2021
716.