ECLI:NL:RVS:2021:189
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende beoordeling bewijs
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 juli 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 3 september 2018. De vreemdeling en zijn referent stelden beroep in bij de rechtbank, die dit op 28 mei 2019 ongegrond verklaarde. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de aanvraag als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 behandeld had moeten worden, waarbij het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019 van toepassing is. Dit arrest vereist een evenredige beoordeling van bewijsmiddelen, verklaringen en uitleg, passend bij de problematiek van de vreemdeling. De staatssecretaris had onvoldoende aandacht besteed aan de verklaringen over het verblijf in een vluchtelingenkamp in Ethiopië.
De grieven die hierop betrekking hadden, waren gegrond, waardoor het hoger beroep werd toegewezen, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 3 september 2018 werden vernietigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Andere grieven werden ongegrond verklaard omdat ze geen belang hadden voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.