ECLI:NL:RVS:2021:140
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in nareisprocedure voor minderjarige broer
De vreemdeling, een minderjarige geboren in 2007, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland om herenigd te worden met haar broer, een minderjarige referent met een asielvergunning. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de vreemdeling geen toestemmingsverklaring van haar vader had overgelegd, wat vereist is volgens de werkinstructie 2018/20.
De vreemdeling stelde dat de nareisprocedure op haar van toepassing was en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat dit niet het geval was. De Raad van State oordeelde dat de werkinstructie wel van toepassing is en dat de rechtbank dit ten onrechte had uitgesloten, maar dat dit geen gevolgen had voor het besluit omdat de staatssecretaris de werkinstructie feitelijk juist had toegepast.
De Raad overwoog dat het ontbreken van een toestemmingsverklaring van de vader een legitieme reden is om geen DNA-onderzoek aan te bieden en de aanvraag af te wijzen. De vreemdeling had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk was om deze verklaring te verkrijgen. De belangen van het minderjarige kind waren voldoende meegewogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.