ECLI:NL:RVS:2021:195
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat asielaanvraag geen eerste aanvraag is in zin van artikel 3.6ba Vb 2000
De vreemdeling, afkomstig uit Bosnië-Herzegovina, is doof en beheerst uitsluitend de Nederlandse gebarentaal. Hij diende in 2015 een asielaanvraag in die door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat deze aanvraag als eerste aanvraag moest worden aangemerkt in de zin van artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000, waardoor de staatssecretaris ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd had moeten verlenen vanwege schrijnende omstandigheden.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de aanvraag van 2015 geen eerste aanvraag was, omdat eerder in 1998 een asielaanvraag was ingediend namens de vreemdeling. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de toelichting bij artikel 3.6ba voorop had gesteld en dat de bewoordingen van de wet duidelijk zijn: een eerste aanvraag is de eerste in Nederland ingediende aanvraag waarop nog geen definitieve beslissing is genomen.
De Afdeling bevestigde dat de aanvraag van 2015 een opvolgende aanvraag is, omdat er al een definitieve beslissing op een eerdere aanvraag was genomen. Daarom is de staatssecretaris niet verplicht om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 3.6ba. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: De asielaanvraag van 2015 wordt niet als eerste aanvraag aangemerkt en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.