ECLI:NL:RVS:2021:2181
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten college Maastricht over instemming saneringsplan bodemverontreiniging
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht stelde op 25 maart 2020 vast dat sprake was van ernstige bodemverontreiniging op een perceel te Maastricht en stemde in met een door de vergunninghouder ingediend saneringsplan. Het saneringsplan betrof het herbouwen en uitbreiden van een woning en bevatte een wijziging van het af te graven oppervlak. De appellant, mede-eigenaar van het naastgelegen perceel, maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat het risico op verspreiding van verontreiniging naar haar perceel was beperkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de reactie van het college op de wijziging van het saneringsplan geen besluit in de zin van de Awb was, waardoor bezwaren daartegen niet ontvankelijk waren. Wel had het college in het besluit van 30 juli 2020 de wijziging van het saneringsplan moeten betrekken en beoordelen, hetgeen niet was gebeurd. Daarnaast was de motivering over het risico op verspreiding van verontreinigde grond ontoereikend, mede omdat het saneringsplan niet voorzag in maatregelen om verspreiding te voorkomen en het college onvoldoende had onderbouwd dat het naastgelegen perceel dezelfde verontreiniging bevatte.
De Raad van State vernietigde de besluiten van 30 juli en 21 december 2020 en verklaarde het bezwaar tegen de reactie van 22 juli 2020 niet-ontvankelijk. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering en juiste procedurele behandeling bij besluiten over bodemverontreiniging en saneringsplannen.
Uitkomst: De besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht worden vernietigd en het bezwaar tegen de wijziging van het saneringsplan wordt niet-ontvankelijk verklaard.