ECLI:NL:RVS:2021:2196
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding aan vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 14 juni 2021 besluiten genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod werd uitgevaardigd en hij in bewaring werd gesteld. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 juli 2021 deze beroepen ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en voerde onder meer aan dat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding ten onrechte de grondslag van de ophouding niet was vermeld. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen keuze had gemaakt tussen het tweede of derde lid van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar dat het gebrek niet opweegt tegen de belangen van de maatregel van bewaring.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover deze naliet de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.244,00 aan proceskosten. Voor het overige wordt het vonnis van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.