Uitspraak
Datum uitspraak: 6 oktober 2021
Raad van State
Appellant, houder van een jachtakte geldig van april 2019 tot maart 2020, werd bij een verkeerscontrole op 1 juni 2019 betrapt op rijden onder invloed met een alcoholgehalte van 245 µg/l, wat hoger is dan de toegestane 220 µg/l. Hierop werd een strafbeschikking opgelegd met een boete van €325. Vervolgens trok de korpschef op 31 juli 2019 de jachtakte in, omdat appellant het bezit van wapens en munitie niet langer zou kunnen worden toevertrouwd. De minister verklaarde het administratief beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond.
Appellant voerde aan dat de intrekking disproportioneel was, gezien het feit dat het om een eenmalige overtreding ging en hij al sinds 1960 jachtaktehouder is. Hij stelde dat de intrekking meer leek op een strafmaatregel dan op een bestuursrechtelijke maatregel ter bescherming van de veiligheid. De rechtbank Limburg wees het beroep af, maar de Raad van State oordeelde anders.
De Raad van State stelde vast dat volgens de Wet natuurbescherming en de Circulaire wapens en munitie 2018 een jachtakte kan worden ingetrokken als er aanwijzingen zijn dat het bezit van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Echter, de Raad benadrukte dat in dit geval, gezien de geringe overschrijding van het alcoholgehalte, het ontbreken van andere overtredingen binnen de terugkijktermijn, en de lange jachtachtergrond van appellant, de intrekking disproportioneel is. De korpschef had volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het besluit van de minister vernietigd en het besluit van de korpschef herroepen.
Uitkomst: De intrekking van de jachtakte wordt vernietigd en vervangen door een schriftelijke waarschuwing.