ECLI:NL:RVS:2021:2373
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitschrijving en boete wegens niet-feitelijk verblijf op adres in Basisregistratie Personen
Appellant stond vanaf 10 juli 2018 ingeschreven op een adres in Amsterdam met toestemming van de hoofdbewoonster, een oude vrouw die hij verzorgde. Het college startte na een melding van de eigenaar een adresonderzoek en concludeerde dat appellant vanaf 20 juli 2018 niet op het adres woonde. Daarom werd hij ambtshalve uitgeschreven en een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet doen van aangifte van adreswijziging.
Appellant voerde aan dat hij wel degelijk op het adres verbleef, ondersteund door een samenlevingscontract en zorgplan, en dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen voor een huisbezoek. De rechtbank oordeelde echter dat de feiten en omstandigheden, waaronder verklaringen van de verhuurder, een medewerker van Thuiszorg en het gebruik van het correspondentieadres van zijn gemachtigde, niet wezen op feitelijk verblijf.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het samenlevingscontract en andere documenten zeggen niets over feitelijk verblijf. Het college hoefde geen tweede huisbezoek op afspraak te plannen. De uitschrijving en boete zijn in overeenstemming met de Wet BRP en het belang van betrouwbare registratie van verblijfplaatsen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitschrijving en boete wegens het niet feitelijk wonen op het adres.