ECLI:NL:RVS:2021:242

Raad van State

Datum uitspraak
9 februari 2021
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
202004296/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29 Dublinverordening
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekken besluit en behandeling asielaanvraag

De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de procedure trok de staatssecretaris het besluit van 14 mei 2020 in en liet weten dat de asielaanvraag van de vreemdeling alsnog in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn van de Dublinverordening was verstreken. De vreemdeling hield haar hoger beroep aan, met het verzoek om proceskostenvergoeding.

De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de vreemdeling onvoldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling, nu het beoogde resultaat is bereikt. Tevens werd verwezen naar een eerdere uitspraak waarin werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden wanneer hij het besluit intrekt vanwege tijdsverloop.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit is ingetrokken en de asielaanvraag alsnog wordt behandeld.

Uitspraak

202004296/1/V1.
Datum uitspraak: 9 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 juli 2020 in zaak nr. NL20.11007 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Lucassen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Bij brief van 21 september 2020 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 14 mei 2020 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling bij brief van 7 oktober 2020 laten weten dat zij het hoger beroep niet intrekt, omdat zij haar verzoek om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten, handhaaft.
2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De vreemdeling heeft namelijk onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat zij heeft bereikt wat zij met haar hoger beroep beoogt doordat de staatssecretaris haar asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen.
3.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, volgt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden wanneer hij als gevolg van tijdsverloop de behandeling van de asielaanvraag alsnog in behandeling neemt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2021
154-927.