ECLI:NL:RVS:2021:2543

Raad van State

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
16 november 2021
Zaaknummer
202004756/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens tatoeages

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 2 juli 2020 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond op 28 augustus 2020. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat de vraag omtrent de betekenis van de tatoeages van de vreemdeling en de mogelijkheid om deze onder alle omstandigheden te bedekken reeds was beantwoord in eerdere uitspraken, waarin werd vastgesteld dat tatoeages niet altijd bedekt kunnen worden gehouden. Op basis van deze jurisprudentie oordeelde de Afdeling dat het hoger beroep gegrond is en dat het besluit van 2 juli 2020 vernietigd moet worden.

Daarnaast werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, welke geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Afdeling verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het besluit van 2 juli 2020 tot afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

202004756/1/V2.
Datum uitspraak: 16 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 augustus 2020 in zaak nr. NL20.13436 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 28 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Tadema, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De in de eerste twee grieven opgeworpen vraag over de betekenis van de tatoeages van de vreemdeling en het onder alle omstandigheden kunnen bedekken ervan, heeft de Afdeling bij uitspraken van 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1802 en ECLI:NL:RVS:2018:1803, en de voorzieningenrechter van de Afdeling voor specifiek deze vreemdeling bij uitspraak van 21 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3941, beantwoord. Uit deze uitspraken volgt dat een tatoeage niet onder alle omstandigheden bedekt kan worden gehouden. Uit de overwegingen van deze uitspraken, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit verder voort dat het hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 2 juli 2020 vernietigen.
2.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 augustus 2020 in zaak nr. NL20.13436;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 2 juli 2020, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2021
802-968.