ECLI:NL:RVS:2021:2591
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving permanente bewoning recreatieverblijf in strijd met bestemmingsplan
Appellant is eigenaar van een recreatieverblijf op een perceel in Heel, gemeente Maasgouw, dat volgens het bestemmingsplan niet bestemd is voor permanente bewoning. Het college van burgemeester en wethouders heeft hem daarom bij besluit van 6 november 2018 gelast het gebruik van het recreatieverblijf voor permanente bewoning te beëindigen, met een dwangsom van €4.000 per maand.
Appellant voerde onder meer aan dat er sprake zou zijn van concreet zicht op legalisatie, dat hij mocht vertrouwen op toestemming van het college (vertrouwensbeginsel), dat handhaving onevenredig was gezien zijn persoonlijke omstandigheden, en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel.
De Afdeling oordeelt dat er geen concreet zicht op legalisatie was omdat de aanvraag voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning pas na het bestuursbesluit is ingediend. Het college had geen toezeggingen gedaan waaruit appellant redelijkerwijs mocht afleiden dat permanente bewoning was toegestaan. Ook is handhavend optreden niet onevenredig, ondanks de persoonlijke omstandigheden van appellant, omdat hij ruim drie jaar de tijd had om de overtreding te beëindigen.
Verder is het besluit voldoende gemotiveerd, verwijzend naar beleidsregels en het belang van het behoud van de recreatieve functie van het park. De hoogte van de dwangsom is proportioneel en in overeenstemming met beleidsregels. Het beroep tegen het besluit tot invordering van de dwangsom is eveneens ongegrond verklaard. Het hoger beroep wordt dus afgewezen en de dwangsom wordt ingevorderd.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen de invordering van de dwangsom worden ongegrond verklaard en het college mag de dwangsom invorderen.