ECLI:NL:RVS:2021:2725

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
3 december 2021
Zaaknummer
202106399/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 29 Dublinverordening
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep in asielprocedure

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake zijn asielaanvraag. Tijdens de procedure trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De staatssecretaris had het eerdere besluit ingetrokken en verklaarde de asielaanvraag in de nationale procedure te zullen behandelen, omdat de overdrachtstermijn van de Dublinverordening was verstreken. De Afdeling overwoog dat hoewel in sommige gevallen proceskosten kunnen worden toegekend wanneer de staatssecretaris tegemoetkomt, dit niet geldt indien de behandeling van de asielaanvraag alsnog wordt voortgezet vanwege tijdsverloop.

Daarom wees de Afdeling het verzoek af en oordeelde dat de staatssecretaris niet gehouden is tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 3 december 2021.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de staatssecretaris het besluit introk en de asielaanvraag alsnog in behandeling neemt.

Uitspraak

202106399/1/V1.
Datum uitspraak: 3 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep  (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.G. Matze, advocaat te Breda, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 oktober 2021 in zaak nr. NL21.11213. Ook heeft hij een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       Bij brief van 25 november 2021 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 12 juli 2021 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084 en 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855 kan aanleiding bestaan de staatsecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2, volgt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden wanneer hij als gevolg van tijdsverloop de behandeling van de asielaanvraag alsnog in behandeling neemt.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2021
862