ECLI:NL:RVS:2021:2863
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling passende termijn en dwangsom voor besluit op Wob-verzoek coronapersconferenties
Op 22 januari 2021 heeft een wederpartij beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek gericht op documenten over coronapersconferenties. De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep gegrond en legde een termijn van twee maanden op waarbinnen de minister moest beslissen, met een dwangsom van €250 per dag.
De minister stelde vervolgens deelbesluiten vast over de openbaarmaking, waarmee de wederpartij het niet eens was. Het hoger beroep bij de Raad van State richtte zich op de vraag of de gefaseerde werkwijze van de minister en de opgelegde termijn en dwangsom in overeenstemming zijn met de Wob.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de eerdere termijn en dwangsom niet haalbaar en passend zijn. Zij vernietigde het eerdere vonnis voor zover het die termijn en dwangsom betrof en stelde een nieuwe termijn tot 1 april 2022 en een lagere dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 vast. Tevens verwees zij het beroep tegen de deelbesluiten terug naar de minister voor behandeling als bezwaar.
De uitspraak bevestigt dat gefaseerde besluitvorming op Wob-verzoeken is toegestaan en sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de coronacrisis. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State stelt een nieuwe termijn tot 1 april 2022 en een lagere dwangsom vast voor de minister om te beslissen op het Wob-verzoek.