ECLI:NL:RVS:2021:2987
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 oktober 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het hoger beroep was beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) een voorlopige voorziening passend is in deze situatie. Omdat de vreemdeling niet aannemelijk maakte dat een extra termijn van vier weken noodzakelijk was, werd dit verzoek afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond en legde de proceskostenveroordeling op aan de staatssecretaris.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.