Uitspraak
Datum uitspraak: 24 februari 2021
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan [wederpartij] een bestuurlijke boete van €20.500 op wegens het exploiteren van een bed & breakfast zonder de vereiste vergunning. Toezichthouders troffen in juli 2018 toeristen aan in de woning, wat leidde tot de constatering van hotelmatig gebruik zonder dat de hoofdbewoner tijdens het verblijf aanwezig was.
De rechtbank verklaarde het boetebesluit onrechtmatig omdat de voorwaarde van fysieke aanwezigheid van de hoofdbewoner tijdens de exploitatie niet strikt kon worden opgelegd. Het college ging in hoger beroep en stelde dat nachtelijk verblijf van de hoofdbewoner vereist is. De Raad van State oordeelde dat de hoofdbewoner niet continu aanwezig hoeft te zijn, maar wel nachtelijk verblijf tijdens de bed & breakfast-activiteiten vereist is.
De Raad stelde vast dat de afwezigheid van [wederpartij] op 19 juli 2018 wegens een noodsituatie (hulp bij verhuizing) geen overmacht vormt en dat het college terecht een boete kon opleggen. Wel matigde de Raad de boete met 50% naar €10.250 vanwege de beperkte ernst van de overtreding en de financiële situatie van [wederpartij], die deelnam aan een schuldsaneringstraject.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en het boetebedrag vastgesteld op €10.250. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd van €20.500 naar €10.250 en het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard.