Uitspraak
Datum uitspraak: 24 februari 2021
Raad van State
Op 10 februari 2017 vond bij appellant sub 2 een arbeidsongeval plaats waarbij een werknemer een bedframe op zijn onderbeen kreeg, wat leidde tot een zwelling en uiteindelijk ziekenhuisopname op 15 maart 2017. De werkgever meldde dit ongeval niet direct bij de Inspectie SZW, wat volgens de Arbowet verplicht is bij ziekenhuisopname.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat appellant sub 2 geen verwijt kon worden gemaakt omdat zij niet op de hoogte was van de ziekenhuisopname. De staatssecretaris stelde echter dat de werkgever wel degelijk op de hoogte had moeten zijn, mede door een e-mail van de vriendin van het slachtoffer aan de klantenservice van appellant sub 2.
De Raad van State overweegt dat de werkgever de melding had moeten doen toen het slachtoffer in het ziekenhuis werd opgenomen, ongeacht dat de opname pas later plaatsvond en ondanks dat de arbeidsrelatie inmiddels was beëindigd. De werkgever droeg de verantwoordelijkheid om zicht te houden op het herstel en had de e-mail intern correct moeten verwerken.
Het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het eerdere vonnis vernietigd. Het beroep tegen het besluit tot boeteoplegging wordt alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en bevestigt de boete wegens niet-melden van het arbeidsongeval.