Uitspraak
Datum uitspraak: 5 februari 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Op 19 augustus 2015 vond een arbeidsongeval plaats bij [appellante sub 1] waarbij een werkneemster gewond raakte door een van de laadklep afgerolde container. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde een bestuurlijke boete van €108.000,- op wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit, dat voorschrijft dat gevaar door voorwerpen zoveel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt.
De rechtbank oordeelde dat de overtreding had plaatsgevonden omdat de veilige werkwijze op papier niet in de praktijk werd gevolgd, maar matigde de boete tot €27.000,- vanwege het bestaan van een veilige werkwijze op papier. Zowel [appellante sub 1] als de staatssecretaris stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat artikel 3.17 was overtreden omdat het gevaar voorkomen had kunnen worden door de veilige werkwijze toe te passen. De Afdeling verwierp het standpunt van de staatssecretaris dat er een onveilige tweede werkwijze bestond, omdat daarvoor onvoldoende bewijs was geleverd. Ook werden de overige matigingsgronden afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat randvoorwaarden, instructies en toezicht adequaat waren.
Verder oordeelde de Raad dat het boetebeleid niet in strijd is met de Awb en dat de boete niet onredelijk hoog is, ondanks de inspanningen van [appellante sub 1] na het ongeval. De boete van €27.000,- blijft daarom in stand en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.050,-.
Uitkomst: De boete van €27.000,- wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit wordt bevestigd.