Uitspraak
Datum uitspraak: 31 maart 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
Raad van State
Appellant kreeg van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgelegd een lening terug te betalen voor een inburgeringscursus, met een schuld van €9.315,74 en maandelijkse aflossingen van €77,63 vanaf 1 december 2019. De minister had eerder een boete opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en de inburgeringstermijn ambtshalve verlengd.
Appellant maakte bezwaar tegen de brief waarin de terugbetalingsverplichting werd vastgesteld, maar dit bezwaar werd door de minister niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de brief wel een besluit is waartegen bezwaar openstaat, en dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op de terugbetalingsverplichting. Verder werd vastgesteld dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door niet te beoordelen of appellant in aanmerking kwam voor ambtshalve kwijtschelding of verlenging van de inburgeringstermijn. De uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 september 2019 werden vernietigd en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.