ECLI:NL:RVS:2021:76
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en toepassing artikel 8 EVRM
De vreemdeling uit Guinee had eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke zij had ingetrokken na het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier op tijdelijke humanitaire gronden. Nadat deze vergunning werd ingetrokken, deed zij op 6 november 2015 een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat deze aanvraag als een eerste aanvraag moest worden beschouwd, waardoor de staatssecretaris ambtshalve had moeten toetsen of uitzetting in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris stelde echter dat het een opvolgende aanvraag betrof, waarop deze toets niet verplicht was.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de vreemdeling haar eerdere aanvraag expliciet had ingetrokken en dat de aanvraag van 2015 daarom een opvolgende aanvraag is volgens de definitie in de Vreemdelingenwet 2000 en de Procedurerichtlijn. De staatssecretaris hoefde dus niet ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het oordeel van de rechtbank over de ambtshalve toets en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van eerdere motiveringen. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt het oordeel dat ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM verplicht was bij de opvolgende aanvraag.