ECLI:NL:RVS:2021:982
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting na intrekking verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 1 november 2019 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken. Vervolgens weigerde de staatssecretaris op 25 juni 2020 ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, en verklaarde het bezwaar van de vreemdeling hiertegen op 26 oktober 2020 ongegrond.
De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 25 maart 2021 het beroep gegrond verklaarde voor zover het ging om de weigering van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dit besluit vernietigde. Het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2020 werd ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en om opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter achtte dit verzoek gegrond en bepaalde dat de vreemdeling niet uitgezet mag worden totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €534,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.