Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum 1] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 1 november 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum, 17 september 2012. Daarnaast heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 17 september 2007.
Overwegingen
- zijn identiteit;
- de identiteitsgegevens van zijn (meegereisde) ouders;
- zijn gezins-/familiesituatie in Irak;
- zijn burgerlijke staat;
- het al dan niet bestaan van familieleden in Irak en Nederland;
- het bezit van (reis)documenten;
- zijn gebied van herkomst en de verblijfplaats voorafgaand aan zijn vertrek uit Irak;
- de (directe) aanleiding voor zijn vertrek en motieven voor zijn komst naar Nederland;
- de omstandigheden waarin hij en zijn familieleden zich op dat moment bevonden;
- zijn vertrekdatum en reisroute;
- de situatie ten tijde van zijn asielaanvraag hier te lande.
Het bestreden besluit II
Geen terugkeerbesluit, toch een beoordeling
Het nieuwe asielrelaas
Eiser heeft ook nog verklaard dat zijn vader een tijd heeft gewerkt in een ijsfabriek in [woonplaats 2] en dat ook eiser in 2004 in deze fabriek heeft gewerkt. De eigenaar en de werknemers van die fabriek werden toen door Al Qaida bedreigd, omdat zij voor de Amerikanen werkten. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar Bagdad en verbleef samen met de familie afwisselend in Bagdad en op het landgoed in [woonplaats 3] . Dat werd bepaald op basis van waar het gevaar het minst groot was.
Het standpunt van verweerder
Het oordeel van de rechtbank
De geloofwaardigheid van de identiteit zoals door eiser in tweede instantie naar voren is gebracht
Het standpunt van verweerder
a) Het familie- en/of gezinsleven
Het standpunt van eiser
De beoordeling van de rechtbank
Beslissing
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit I voor zover daarbij niet ambtshalve is beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning;
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.335,00.