ECLI:NL:RVS:2022:1243
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen invordering dwangsom milieuovertredingen veehouderij Waterland
Appellant exploiteert een veehouderij op een perceel te Katwoude, welke hij per 1 april 2019 van zijn vader heeft overgenomen. Het college van burgemeester en wethouders van Waterland legde in 2017 aan de vader een last onder dwangsom op wegens milieuovertredingen, met een dwangsom van € 50.000,00. Na vaststelling dat de last niet was nagekomen, besloot het college in oktober 2020 de dwangsom te innen bij appellant als rechtsopvolger en legde een nieuwe last onder dwangsom op.
Appellant voerde aan dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt en dat hij de wal met afvalstoffen geheel had verwijderd. De Afdeling oordeelde dat appellant als rechtsopvolger terecht werd aangesproken en dat het college voldoende bewijs had geleverd dat appellant niet aan de last had voldaan. De omvang van de wal was groter dan de door appellant afgevoerde grond en de wal was deels uitgevlakt op het perceel en aangrenzende weilanden.
Verder stelde appellant dat het college had moeten afzien van invordering vanwege geringe milieuschade en het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling verwierp dit, stellende dat het belang van handhaving zwaarwegend is en dat bijzondere omstandigheden om af te zien van invordering niet waren aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot invordering van de dwangsom is ongegrond verklaard.