ECLI:NL:RVS:2022:127
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit en toekenning schadevergoeding aan vreemdeling
De vreemdeling diende op 3 maart 2021 een aanvraag in voor toetsing aan EU-recht, stellende rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 20 VWEU Pro, vanwege zijn minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit. De staatssecretaris nam daarop op 7 maart 2021 een terugkeerbesluit, een inreisverbod en legde vreemdelingenbewaring op, welke bewaring op 12 maart 2021 werd opgeheven.
De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de aanvraag om toetsing aan EU-recht geen rechtmatig verblijf opleverde, waarmee het terugkeerbesluit en de bewaring onterecht waren genomen.
De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris. Tevens kende de Afdeling bestuursrechtspraak een schadevergoeding toe aan de vreemdeling over de periode van 7 tot en met 12 maart 2021 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. Het hoger beroep werd daarmee gegrond verklaard.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit en inreisverbod worden vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.