ECLI:NL:RVS:2022:1507
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling bij intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak na verlening verblijfsvergunning
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, inzake een vreemdelingenzaak. Bij brief van 19 januari 2022 trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt.
De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:108 Awb Pro, in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak kan worden veroordeeld in de proceskosten.
De staatssecretaris had op 8 juli 2021 alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling verleend, waarmee hij aan de vreemdeling tegemoet was gekomen. De Afdeling achtte het verzoek tot proceskostenvergoeding dan ook kennelijk gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van € 759,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door het lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij, in aanwezigheid van griffier P.A.M.J. Graat, op 25 mei 2022.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van € 759,00 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.