ECLI:NL:RVS:2022:1511

Raad van State

Datum uitspraak
30 mei 2022
Publicatiedatum
25 mei 2022
Zaaknummer
202100988/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing aanvraag verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan

De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. De staatssecretaris wees deze aanvraag bij besluit van 31 oktober 2019 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 2 maart 2020. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond op 13 januari 2021.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de staatssecretaris een onjuiste bewijsmaatstaf en beoordelingskader had gehanteerd bij de beoordeling van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een vreemdeling zonder geldig grensoverschrijdingsdocument zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen aannemelijk kan maken.

De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris de aangeleverde bewijsstukken niet op juiste wijze had beoordeeld en het besluit daardoor ondeugdelijk was gemotiveerd. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 2 maart 2020 vernietigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.

Uitspraak

202100988/1/V1.
Datum uitspraak: 30 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 januari 2021 in zaak nr. 20/2426 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 2 maart 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Leenders, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in de enige grief aanvoert, gaat over een rechtsvraag die vergelijkbaar is met die die de Afdeling eerder heeft beantwoord. Zie de uitspraak van 10 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:433, onder 3.1 en 3.2, over de bewijsmaatstaf en het beoordelingskader voor de identiteit en nationaliteit van een gestelde derdelander die een beroep doet op het arrest van het HvJEU van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354.
1.1. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat als een vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen, hij zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen, waaronder zijn verklaringen, aannemelijk kan maken. De staatssecretaris moet vervolgens beoordelen of die vreemdeling daarin is geslaagd. Daarbij moet hij alle door die vreemdeling aangedragen middelen afzonderlijk en in onderlinge samenhang kenbaar bezien. De staatssecretaris mag in dat verband - gemotiveerd - aan de aangedragen middelen een verschillende bewijswaarde toekennen en belang hechten aan verklaringen die een vreemdeling voor het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs heeft gegeven.
1.2. In aanvulling hierop, overweegt de Afdeling dat dezelfde bewijsmaatstaf en hetzelfde beoordelingskader gelden voor de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling die als partner van een Unieburger, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, op grond van de Verblijfsrichtlijn een aanvraag voor verblijf indient.
1.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris een onjuiste bewijsmaatstaf en een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd en dat hij het besluit daarom ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Alleen al daarom slaagt de grief.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 2 maart 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier in beroep en hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 januari 2021 in zaak nr. 20/2426;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 2 maart 2020, V-[…];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2022
154-910