ECLI:NL:RVS:2022:1534
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 28 juli 2020 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling onder meer dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zijn rechten op grond van artikel 7, eerste alinea, van Besluit nr. 1/80 waren vervallen vanwege een eerder besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning. De Raad overwoog echter dat dit besluit niet beslissend is voor het verblijfsrecht op grond van genoemde bepaling en dat de rechtbank had moeten onderzoeken of de vreemdeling nog rechten kon ontlenen aan dit artikel.
De Raad stelde vast dat de vreemdeling niet had aangetoond dat hij Nederland met gegronde redenen had verlaten, zoals vereist volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. De overgelegde stukken, waaronder een Turkse gezondheidsverklaring en getuigenverklaringen, waren niet vertaald en boden onvoldoende bewijs. De overige grieven van de vreemdeling leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.