ECLI:NL:RVS:2022:1540
Raad van State
- Hoger beroep
- P.H.A. Knol
- J.M.L. Niederer
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit machtiging binnentreden woning wegens onvoldoende noodzaak
Op 17 september 2019 weigerde appellant toezichthouders toegang tot zijn woning te verlenen in het kader van een last onder bestuursdwang. De burgemeester verleende daarop op 30 september 2019 een machtiging om zonder toestemming binnen te treden, welke machtiging dezelfde dag werd uitgevoerd. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, dat door de burgemeester en rechtbank ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep betoogde appellant dat de burgemeester ten onrechte aannam dat er een noodzaak bestond voor het binnentreden, omdat bewijs ontbrak dat ventilatieopeningen waren afgeplakt en er geen rapport van het controlebezoek was opgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat binnentreden zonder toestemming een zeer ingrijpend middel is dat alleen kan worden ingezet bij een voldoende serieus vermoeden en als minder ingrijpende middelen ontbreken.
De Afdeling constateerde dat de machtiging te ruim was geformuleerd en dat de tijdspanne van bijna twee weken tussen het controlebezoek en het machtigingsbesluit niet aannemelijk maakt dat er sprake was van acuut gevaar. De burgemeester kon niet toelichten waarom zo lang werd gewacht bij een vermeend acuut gevaar voor gezondheid. Daarom was het besluit in strijd met de Awbi en moest het worden vernietigd.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat appellant geen schade had geconcretiseerd of onderbouwd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het besluit van 30 september 2019. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het besluit tot machtiging binnentreden woning wordt vernietigd wegens onvoldoende noodzaak; verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.