ECLI:NL:RVS:2022:1585
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
Bij besluit van 23 april 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 23 juli 2020 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 mei 2021 het beroep gegrond verklaarde, het besluit van de staatssecretaris vernietigde en bepaalde dat een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak moest worden genomen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden, mede omdat een soortgelijke rechtsvraag reeds eerder was beantwoord. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad van State veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en legde een griffierecht op. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, waarbij het lid van de kamer verhinderd was de uitspraak te ondertekenen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.