ECLI:NL:RVS:2022:1587
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf Eritrese vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 31 juli 2019 de aanvraag van twee Eritrese vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep verklaarden de rechtbank en de staatssecretaris het bezwaar en beroep ongegrond. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het beoordelingskader voor Eritrese nareiszaken, zoals uiteengezet in een eerdere uitspraak van 26 januari 2022. De staatssecretaris had het bewijs niet in onderlinge samenhang beoordeeld en onvoldoende gemotiveerd waarom de vreemdelingen het voordeel van de twijfel niet zouden verdienen, terwijl hij rekening had moeten houden met de beperkte beschikbaarheid van Eritrese documenten en de registratiekaart van de Administration for Refugee & Returnee Affairs.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 12 april 2021 vernietigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.277,00. De griffierechten hoefden niet vergoed te worden omdat deze niet waren geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris is vernietigd.